De Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) is een door de overheid geïnitieerd programma om samen met de sector te komen tot een zero-emissiemachinepark richting 2035, met een uitloop naar 20240 voor zeer zwaar materieel. BMWT staat volledig achter de doelen die de sector via de routekaart wenst te behalen. Over de wijze waarop deze doelen bereikt kunnen worden, verschilt BMWT echter van mening met andere partijen.
Met name veel overheden zetten nu al in op het volledig gebruik van zero-emissiematerieel (ZE-materieel) voor het behalen van de doelstellingen. Dat is begrijpelijk, omdat daarmee op korte termijn direct kan worden voldaan aan de uitstootdoelstellingen voor zowel CO₂ als stikstof. De zorg van BMWT is dat naarmate meer emissieloos materieel wordt uitgevraagd binnen een project, de complexiteit, beperkte beschikbaarheid en daarmee de kosten onevenredig toenemen.
a. Tot 30% ZE-inzet op projecten
b. Van 30% tot 60% ZE-inzet op projecten
c. Van 60% tot volledige ZE-inzet op projecten
Tot 30% ZE-inzet op projecten
Uit koploperprojecten blijkt dat de eerste 30% emissieloos werken, zowel qua doelmatigheid van de oplossing als qua rechtmatigheid van de meerkosten, goed in te vullen zijn. Er kan gebruik worden gemaakt van materieel dat steeds beter beschikbaar is. In de huidige markt zijn reguliere grondverzetmachines in de categorie licht tot middelzwaar (tot 130 kW) steeds beter verkrijgbaar.
Bij deze eerste 30% ZE-inzet op projecten bestaan de meerkosten voornamelijk uit de hogere aanschafwaarde van het materieel. Het voorzien in de benodigde elektrische energie is minder complex, waardoor de bijkomende kosten beperkt blijven.
Bij percentages tussen 30% en 60% ZE-inzet ontstaan aanvullende meerkosten:
Nog niet alle machines zijn volledig taakvolwassen en kunnen een volledige werkdag draaien. Hierdoor geldt vaak een hoger inzettarief, gebaseerd op een lagere inzetbaarheid.
De energielogistiek wordt complexer en kan, zonder laadhub met een zware aansluiting, niet langer op één locatie worden geconcentreerd. De energiekosten nemen hierdoor sterk toe.
De laadinfrastructuur en de benodigde laders worden zwaarder, wat leidt tot hogere kosten.
Bij een inzet van meer dan 60% ZE-materieel nemen alle hiervoor genoemde meerkosten onevenredig toe. Omdat er nog geen standaardisatie bestaat op het gebied van opladen, veiligheid en gebruik, ontstaan bovendien problemen met de betrouwbaarheid van het laden. Dit leidt tot een dusdanige kwetsbaarheid en een verhoogd risico op stagnatie van de productie dat een volledige ZE-inzet op dit moment meestal niet wenselijk is.
De huidige SEB-periode 2 (1 januari 2025 tot en met 31 december 2027) is de meest kritische fase van de transitie. Te snel vooruit willen leidt door buitenproportionele meerkosten tot een groter risico op het falen van de transitie. Tegelijkertijd brengt vertraging het risico met zich mee dat de doelstellingen niet worden gehaald.
Om die reden pleit BMWT voor het frequent uitvragen van ZE-materieel, maar niet in een zodanige mate dat de haalbaarheid en betaalbaarheid onder druk komen te staan. Opdrachtnemers moeten voldoende gelegenheid krijgen om ervaring op te doen. Afhankelijk van de opgedane ervaringen kan vervolgens worden opgeschaald waar dit haalbaar en betaalbaar is. Op deze manier brengen we de benodigde massa in beweging.
Op de korte en middellange termijn zal daarom naast ZE-materieel ook de inzet van schoon dieselmaterieel noodzakelijk blijven.
BMWT pleit dan ook voor een twee-sporenbeleid om de uitstoot op korte en middellange termijn maximaal te beperken. Deze twee sporen bestaan uit:
De inzet van bestaand en nieuw ZE-materieel waar mogelijk, het beschikbaar stellen van overheidssubsidies voor de ontwikkeling van ZE-materieel in Nederland en het stimuleren van een machinespool waarin aannemers ZE-materieel delen, zodat dit materieel maximaal kan worden ingezet.
Het vervangen van dieselmachines uit de categorieën Stage III en Stage IV door Stage V-machines, die aanzienlijk minder uitstoot veroorzaken. Stage V-machines hebben inmiddels een marktaandeel van meer dan 30% en zijn verantwoordelijk voor slechts 4% van de CO₂- en stikstofuitstoot van het totale machinepark. Hiermee kan op korte termijn direct een aanzienlijke emissiereductie worden gerealiseerd.
Slimme inzet van bestaande technologie
Niet alleen door de inzet van ZE-materieel, maar ook door slim gebruik te maken van bestaande technologie kan zowel op korte als op lange termijn effectief worden gestuurd op emissiereductie. BMWT pleit actief richting overheden en andere stakeholders in de sector om dit pad te bewandelen.
Vanuit De Groene Koers (DGK), een initiatief van BMWT, Bouwend Nederland, Cumela en VHG, werkt BMWT actief aan emissiereductie. BMWT heeft daartoe op 30 oktober 2023 het SEB-convenant ondertekend.
Voor vragen kunt u contact opnemen met Hans Zwaanenburg.